De Kloof tussen wetgevende macht en burger
De kloof tussen wetgevende macht en burger. Zullen we er ooit niet over (hoeven) praten? Roderick van Helsdingen* vreest het ergste. In deze column blikt hij terug op de eerste bijeenkomst van Cafépolitiek.nl en naar aanleiding daarvan pleit hij voor een hernieuwde waardering voor het adagium: "Niet lullen, maar poetsen". Hij gaat daarbij van een afhakende Jan (ja, inderdaad: die met die pet…) en politieke krokodillentranen via volksvertegenwoordigers die blijven hangen in het benoemen van problemen naar de noodzaak tot het denken in mogelijkheden en het ondernemen van gerichte actie om voornemens om te zetten in succesvolle resultaten.
En dat alles om de vraag op te werpen wat wij als betrokken burgers kunnen doen om een nieuwe impuls te geven aan Jan’s beleving van legitimiteit van het openbaar bestuur. En zo de hoeders van de ivoren torens die het binnenhof steeds nadrukkelijker ontsieren een spiegel voor te houden.
Column
Onlangs had ik het genoegen aanwezig te zijn bij de eerste bijeenkomst van cafépolitiek.nl in Den Haag. Drie volksvertegenwoordigers en een gemêleerd gezelschap van geïnteresseerde burgers spraken daar open en vrij over de met name economische problemen waar Nederland zich in Europees en Globaal verband voor gesteld ziet. Het gekozen format paste goed bij de doelstelling die de organisatoren hadden beoogd: het verkleinen van de kloof door middel van levendige discussies. Deze bijeenkomst (die wat mij betreft voor veelvuldige herhaling vatbaar is) triggerde verschillende gedachtetreintjes, waarvan onderstaande uiteenzetting er één is.
Ik twijfel er niet aan dat de dames en heren politici oprecht gecommitteerd zijn aan hun functie. Tegelijkertijd komt regelmatig de indruk bij me boven dat ze bij het geven van invulling aan dat commitment los dreigen te komen van de basis: het dienen van de publieke agenda. Het systeem is dermate ver doorgeschoten in complexiteit en ondoorzichtigheid dat je gerust kunt zeggen dat het middel te vaak als doel wordt gezien. De burger (we noemen hem Jan) snapt ondertussen geen bal meer van de manier waarop zijn stem gebruikt wordt om de samenleving op een hoger plan te tillen. Jan haakt dan ook af; het vertrouwen in de volksvertegenwoordiging daalt en dat doet het al jaren, zo niet decennia. Voor Jan staat de politiek te ver van hem af en hij ziet weinig tot geen bewegingen vanuit diezelfde politiek (die haar legitimiteit primair aan Jan en zijn medeburgers ontleent!) om toenadering te zoeken. Hij hoort ze wel zeggen dat ze de kloof willen dichten, maar hij ziet tegelijkertijd ook de krokodillentranen.
Terug naar de discussie zoals ik die beleefd heb. Ik ben de eerste om toe te geven dat onze volksvertegenwoordigers in het politieke debat vaak bijzonder goed in staat de problemen te benoemen waar de samenleving zich voor geplaatst ziet. Daarbij vergeten ze echter meer dan eens dat in de benoeming van een probleem of oplossing de beperkingen zijn opgenomen van het referentiekader van waaruit ze gedwongen worden te denken. Partijdiscipline: “the root of all evil”. Net zo ondoorzichtig als het systeem functioneert, verwoorden politici in het politieke debat hun soms wel, maar meestal niet ál te uiteenlopende standpunten. Ze lijken daarbij allemaal dezelfde soort taal (wollig en warrig politiek jargon) te spreken. Het effect is altijd hetzelfde: de kloof is zowel het gevolg als de oorzaak.
Dús. Ze weten dus problemen te benoemen. Het punt dat ik hier wil maken, is dat het daar in de praktijk dan ook wel zo’n beetje bij blijft. Pas als ze er écht niet meer onderuit kunnen, geven ze met tegenzin een vage hint van waar ze oplossingen voor problemen zien. Niet zelden zijn die (deel)oplossingen gespeend van enige vorm van nuance en samenhang met andere issues. Voormalig Minister van Justitie Hirsch Ballin sprak ooit van instantanisering van beleid: de samenhang tussen de resultaatsporen in te vormen of uit te voeren beleid wordt bedreigd door de vorming van hot-issue-standpunten die inhoudelijk op zichzelf staan en op korte termijn tot politiek gewin zouden kunnen leiden. Voor een deel ook wel bekend als sound-bite politiek. Ja, u voelt ‘m goed: onze volksvertegenwoordigers zijn vaak de eersten om toe te geven dat er achter de benoeming van de oplossingen geen pretenties zitten. Wat mij betreft zijn oplossingen op zichzelf overigens slechts een opstapje naar waar het écht om draait: actie! Ik hoor een politicus zelden aangeven wat hij nou concreet gaat ondernemen om een issue te tackelen, anders dan wellicht te zeggen dat hij een motie zal gaan indienen of een werkbezoek gaat afleggen. Maar wat hij nu precies gaat doen om de beweging te creëren om de uitvoerders van de wetten die hij maakt zover te krijgen dat er concreet iets verandert? En dat terwijl de moderne parlementariër middelen genoeg ter beschikking heeft om daartoe in te zetten.
En zo kom ik bij een discussielijn die aan de orde kwam tijdens de vorige bijeenkomst van cafépolitiek.nl: het onderwerp was de noodzaak om te innoveren om zo de internationale concurrentiepositie van Nederland te verbeteren. Merk op dat dit járen geleden met brede instemming als één van de belangrijkste ambities is genoemd van het te voeren beleid en nu wordt schoorvoetend toegegeven deze eerder gedaald is dan gestegen. In de discussie kwam de vraag aan de orde hoe de wetenschap en het wetenschappelijk onderwijs hieraan kunnen bijdragen. Het zal niemand verbazen dat de discussie min of meer vastliep op de volgende paradox: de traditionele, esoterische manier van wetenschapsbeoefening is een heilig huisje, terwijl ditzelfde gegeven een belangrijke rem vormt voor de mogelijkheid om wetenschap te laten bijdragen aan innovatie binnen de private sector om zo de internationale concurrentiepositie van het bedrijfsleven te versterken.
Ik denk dan: innovatie heeft te maken met groei. Met verandering. Met het optimaal benutten van je eigen lerend vermogen. Met het loslaten van waar je (ten onrechte) zo krampachtig aan vasthoudt. Simpelweg omdat de status quo als warme jas bescherming lijkt te bieden tegen de donkere kou van het onzekere. Veranderen en leren doe je niet zonder het toepassen van wat je geleerd hebt. In dit verband zou je eraan kunnen denken om een brug te slaan tussen de private sector (die aan de voorkant over een enorme berg middelen beschikt en aan de achterkant direct de opgedane inzichten en kennis vrij snel om kan zetten in vernieuwende producten en diensten) en de toegepaste wetenschap. ‘Science for science’s sake’ is weinig origineel gereutel van inmiddels (en helaas) niet alleen grijze, bange mannen die het tempo van de vooruitgang niet meer kunnen bijbenen, maar bizar genoeg ook van een relatief grote groep jonge wetenschappers die aan dezelfde kwaal lijken te leiden.
Enfin, de discussie bleef hangen in kleine twistjes over de feiten en de interpretaties van die feiten. Bij de benoeming van het probleem, dus. Het zal niemand verbazen dat de discussie eindigde in een roemloze anticlimax: de paradox deed zijn overwinningsdans op de as van de spontaan ontvlamde hoop van de deelnemers uit de zaal. De noodzaak tot veranderen werd genoemd, maar niet beleefd.
Terug naar Jan. Jan ziet het gebeuren en denkt: ‘daar gaan we weer…’. Hij heeft de hoop opgegeven dat de politiek uit zichzelf de benodigde omwenteling kan maken van de benoeming van problemen naar het denken in oplossingen om die vervolgens om te zetten in concrete acties. Hij weet maar al te goed dat één van de symptomen om dit gedrag te herkennen een focus is op zenden in plaats van een bereidheid om goed te luisteren. Als je als lotgenoot van Jan het onderbuikgevoel krijgt dat je niet serieus wordt genomen (“U kent niet het hele plaatje: het is allemaal héél complex en ingewikkeld, mevrouwtje!”), dan is dat ook zo. Regenteske mentaliteit, ivoren toren denken, not invented here syndrome, enzovoort, et cetera.
De conclusie: het systeemmodel zal voorlopig nog steeds een theoretisch model zijn dat slechts dient doet als voorbeeld van hoe het zou moeten zijn. Het lerend vermogen van de overheid tot een minimum beperkt. Denken in problemen (vanuit een oriëntatie op het verleden) is voor velen toch gewoon een stuk veiliger en makkelijker dan het denken in mogelijkheden (vanuit een oriëntatie op de toekomst en het ontwikkelen van een visie). Dat daarmee de legitimiteit van de politiek en het openbaar bestuur flink op de tocht komt te staan, lijkt niet veel uit te maken. Simpelweg omdat de correctie uitblijft. En er weinig tot geen goede alternatieven zijn.
Ik zou het prachtig vinden als ik eens een parlementariër tegenkwam die uit zichzelf antwoord zou geven op de volgende set ongestelde vragen: wat gaat wanneer gebeuren, hoeveel gaat het kosten en wie gaat het doen. En: welke bijdrage hij er zélf concreet aan gaat leveren om ervoor te zorgen dat de geleverde inspanningen succesvol zijn. Maar dat zit er vooralsnog niet in, ben ik bang. Dus: aan de slag, Jan! We moeten ze maar helpen bij het formuleren van de goede vragen. Bijvoorbeeld 21 november a.s. in Bodega de Posthoorn te Den Haag.
* Roderick van Helsdingen is organisatieadviseur te Hilversum en Den Haag en koestert een meer dan gemiddelde belangstelling voor de publieke sector.
Andere Columns Café Politiek (CCP)
Sponsors
Onze sponsors stellen wij graag aan u voor.
Vrijwilligers
Graag stellen wij u aan hen voor.
Debatleiders
Graag stellen wij u aan hen voor.
|